dinsdag 7 februari 2012     Inloggen
  


Amsterdams woordenboek


Aggenebbis: waardeloos, slechte kwaliteit
Attenoje: mijn god ( verbazing)
Bakkie leut: kopje koffie
Dikke tampeloeris ken je krijge: Dikke lul, ik denk er niet over!
Gajes of geteisem: gepeupel
Gallemieze: platzak,  geen geld meer hebben
Gallish: wordt er misselijk van
Gok: neus
Haarlemmerdijkie: in de maling nemen
Hassebassie: borreltje
Jajem, hassiebassie, en pikketanesie: jenver
Jatten: stelen
jofel: toffe peer
jouker. te gek (negatief bedoeld zoals te duur bijv.)
Kanen: eten
kapsoneslijer: hoog in de bol hebben
Kappen of nokken: ophouden
Kassie wijle: dood
Kinnesinne: afgunstig, jaloers
Kopstoot: borrel met een pilsje
Krentenkakker: gierigaard
Lappen: gezamelijk iets betalen
Lazerus: dronken
Luizebos: een rotzak
Majem. gracht, water
Matten: vechten
Mazzel: geluk
Mesjogge: gek
Mierenneuker: valt over alle kleinigheidjes
Mischmagger: stiekemerd
Mokkel: meisje
Mokkum: Amsterdam
Nax: niks
Noppes: voor niets
Patjepeeer pooier: poenerig type
Penoze: onderwereld
Pieneut: de sigaar
Ponem of porem: gezicht
Ratsmodee: naar de bliksem
Rauwdouwer. doordrammer
Sam sam: eerlijk delen
Schlemiel: arme sukkel
Schnabbel: snelle bij verdienste
Sjoege: verstand van iets hebben
Sjoemelen: beduvelen, misleiden
Sores: problemen
Spatsies: kapsones, druktemaker
Smeris: juut, of rus; politieagent
Stennis: ruzie maken
Tinnef: troep, slechte handel
Vernachelen: verprutsen
Versjteren: verzieken
Zeperd: pech hebben

 

  

Copyright 2006 Cafe Nol